Droogte

In 1976, 2011, 2017 en 2018 kregen we in Vlaanderen al te maken met extreme droogte. De temperatuurstijging zorgt voor meer verdamping. In de zomer zal het ook minder regenen, waardoor extreme droogte in de toekomst vaker en intenser kan voorkomen in Vlaanderen.

 

Wat is het probleem?

 

Vlaanderen heeft een van de laagste waterbeschikbaarheden per inwoner. Dit komt door een combinatie van een hoge bevolkingsdichtheid en een relatief beperkte aanwezigheid van oppervlakte- en grondwater. De klimaatverandering brengt dit fragiele evenwicht uit balans.

 

De informatie over droogte en het bewustzijn erover is momenteel nog beperkt. Omdat de economische gevolgen van droogte aanzienlijk hoger kunnen uitvallen dan bij de andere klimaateffecten, is voor de gevolgen van klimaatverandering rond droogte ook in Vlaanderen extra aandacht nodig.  

 

Wat voorspellen de klimaatscenario's?

  • In de zomer zal het minder regenen. Het aantal dagen zonder neerslag zal sterk stijgen waardoor neerslagvolumes tot 52 % kunnen afnemen tegen 2100. Het aantal droge dagen kan stijgen van 173 nu tot 236 droge dagen in 2100 bij het hoog-impactscenario.
  • Het aandeel van de jaarlijkse neerslag dat verdampt, kan door o.a. de hogere temperaturen toenemen van 67 % nu tot 77 % in 2100.
  • Door minder zomerneerslag en hogere verdamping zal het cumulatief neerslagtekort tijdens het groeiseizoen (april tot september) oplopen. In 2017 piekte deze droogte-indicator op 215 mm en in 1976 op 300 mm neerslagtekort. Door klimaatverandering zou het gemiddelde neerslagtekort in een jaar kunnen oplopen tot 485 mm tegen 2100. Zulke extreme droogte kan dan 4 maal langer duren dan de extreme droogte van 1976 en 2018.
  • Droogte kan in de toekomst ook vaker optreden. Het droogste jaar dat zich nu eens in de 20 jaar voordoet, kan zich tegen 2100 eens in de twee jaar voordoen. Dat is dus tot 10 maal vaker dan nu. Een heel extreme droogte (zoals in 1976 en 2018) kan eens in de 4 tot 5 jaar voorkomen.
     

Wat is de impact bij droogte?


Zandige bodems van de Kempen en de Noord-Vlaamse zandstreek zijn het gevoeligst omdat bodemvocht er het minst wordt vastgehouden, met schadelijke gevolgen voor natuur en landbouw. 

 

Kleinere riviervalleien zijn gevoeliger voor hydrologische droogte dan de grotere. Dit wordt versterkt in hydrologische regio’s van het hellend gebied van West- en Oost-Vlaanderen doordat de waterberging in de ondergrond er minder is dan bv. de leem- of zandstreek.


In het toekomstige klimaat zullen afnemende laagwaterdebieten, droogvallende waterlopen en waterbuffers vaker voorkomen en op meer locaties. Dit zal onder andere leiden tot een slechtere waterkwaliteit (bv. verzilting, vissterfte) en kan finaal ook een bedreiging vormen voor de drinkwatervoorziening.

 

 

Bekijk droogte op kaart